Integrale geboortezorg

  

INCAS-2

Het INCAS-2 onderzoek is het vervolg op het INCAS-1 onderzoek. In dat onderzoek zijn bevorderende en belemmerende factoren voor de integratie van geboortezorg en de implementatie hiervan onderzocht. Op basis van verschillende subonderzoeken van INCAS-1 is er geconcludeerd dat zorgverleners het erover eens zijn dat integrale zorg wenselijk is. Maar er is weinig tot geen consensus bereikt over de manier waarop deze zorg vorm moet krijgen. Het is daarom belangrijk om bij implementatie van integrale zorg rekening te houden met verschillen in visie en belangen. Het INCAS-2 onderzoek heeft daarom als doel om op een systematische wijze het effect van de implementatie van integrale zorg binnen de geboortezorg te onderzoeken. De verschillende doelstellingen van het onderzoek zijn:

- Het verbeteren van kwaliteit van zorg door meer continuïteit van zorg;
- Het bepalen van de kosteneffectiviteit van integrale zorg in vergelijking tot bestaande zorg;
- Het vaststellen van een passende financieringsstructuur voor integrale zorg.

In 2012 zijn plannen ontwikkeld om regionale pilots te starten voor de implementatie van integrale zorg. Vervolgens is in het begin van 2014 de regio Leiden gestart met de eerste pilot. In 2015 en begin 2016 zijn de regio's Midden-Kennemerland, Amsterdam West, Gouda, Zwolle en AMC/VUmc ook met een pilot begonnen.

Aangezien het belangrijk is om bij de implementatie van integrale geboortezorg rekening te houden met verschillen in visie en belangen, wordt er gebruik gemaakt van een onderzoeks- en implementatiemethode voor INCAS-2, genaamd Reflexive Monitoring in Action (RMA). Deze methode doet recht aan meningsverschillen tussen de zorgverleners uit de eerste en tweede lijn. Binnen deze methode wordt gebruik gemaakt van verschillende tools om het implementatieproces van het INCAS-2 project te monitoren; namelijk de Dynamische Leer-Agenda (DLA) en reflectiesessies. Tijdens reflectiesessies wordt er samen met de onderzoekers geformuleerd hoe de uitwerking van integrale zorg in de regio eruit moet zien en welke knelpunten/barrières er op welke manier geslecht moeten worden. Dit wordt gedaan in de vorm van leervragen en actie- en verbeterpunten, waaruit vervolgens de DLA wordt opgesteld. De reflectiesessies en DLA zijn er op gericht om de zorgverleners, die betrokken zijn bij de pilot, constant te laten reflecteren op de voortgang van de pilot.